Capoeira

Inleiding tot de geschiedenis

Hier volgt een zeer beperkte inleiding tot de rijke geschiedenis van capoeira. Wens je jezelf verder te informeren, dan zijn er talloze boeken te vinden.

Capoeira heeft een erg rijke geschiedenis die gebaseerd is op verhalen, tradities en culturen van verschillende naties. In het begin van de zestiende eeuw begon de kolonisatie van Brazilië door Portugal. Aanvankelijk was Portugal helemaal niet geïnteresseerd in zijn nieuwe kolonie, maar later bleek er veel potentieel te zijn om rietsuiker te verbouwen. De Portugezen probeerden eerst de indiaanse inboorlingen te gebruiken als werkkrachten op de plantages, maar deze bleken er niet geschikt voor te zijn. Daarom begon Portugal slaven te importeren uit West-Afrika. Hele volkeren en dorpen werden in erbarmelijke omstandigheden per schip vervoerd naar Brazilië waar ze hun leven lang zouden moeten werken op plantages of in de steden. Vooral Rio de Janeiro en Salvador speelden hierin een grote rol.

Door het importeren van Afrikaanse slaven werden ook hele culturen, gebruiken, tradities en religies naar Brazilië overgebracht. Door de grote diversiteit aan volkeren in Brazilië werden al deze elementen vermengd. Zo werden onder andere ook gevechtskunsten van verschillende culturen met elkaar vermengd onder de slaven. Stilaan werd zo capoeira gevormd, als een mengeling van Afrikaanse en Braziliaanse elementen. Toen was capoeira uiteraard nog een bezigheid voor de slaven en andere lage bevolkingsgroepen, hogerop in de bevolking verachtte men de sport en was men er zelf angstig voor. Als voorzorgsmaatregel werden veel Afrikaanse activiteiten en tradities verboden, waaronder capoeira.

Als we enkele eeuwen verder in de tijd kijken komen we terecht bij de capoeira bendes van Rio de Janeiro en de eerste geschreven vermeldingen over capoeira in de negentiende eeuw. Door de bendes en ondergrondse groeperingen die capoeira gebruikten als wapen tegen elkaar kreeg de sport een marginaal en duister imago. Capoeira was nog steeds bij wet verboden en er stonden zware straffen op het in het openbaar beoefenen van de sport. Ondertussen maakte capoeira in Salvador da Bahia een grote verandering door. In het begin van de 20ste eeuw zag men vaker en vaker bijeenkomsten van capoeiristas. Op speciale gelegenheden kwam men samen om capoeira te spelen in “roda’s” (cirkels), onder de leiding van capoeira mestres (meesters). Hoewel het niet altijd lukte deed men zijn best om alles rustig te laten verlopen en geen commotie te veroorzaken. Stilaan versoepelde het verbod op capoeira.

Later werden de eerste capoeira-academies geopend, en begon de sport zich buiten Brazilië te verspreiden. Rond de helft van de 20ste eeuw waren de eerste mestres naar de Verenigde Staten en Europa getrokken om daar capoeira te introduceren. Vandaag wordt capoeira wereldwijd beoefend door miljoenen spelers en zijn er honderden mestres actief, dit alles op nog geen 100 jaar tijd.

De verschillende speelstijlen

Binnen capoeira zijn er 2 grote stromingen ontstaan doorheen de geschiedenis, namelijk Capoeira Angola en Capoeira Regional. Sinds de laatste decennia kunnen we hier ook Capoeira Contemporânea aan toevoegen. Hier volgt meer uitleg over deze stijlen.

Capoeira Regional en Mestre Bimba

Capoeira Regional is een modernere capoeira stijl ontwikkeld door Mestre Bimba (Manoel dos Reis Machado). Mestre Bimba werd op 23 november 1900 geboren in Salvador. Reeds op zijn twaalf jaar begon hij capoeira te beoefenen. Bimba ontwikkelde zichzelf als een groot talent en een groot vechter, en dit niet alleen binnen de capoeira roda’s. Mestre Bimba was een visionair, hij transformeerde het traditionele, illegale, capoeira naar een moderne versie en begon het te onderwijzen in de eerste academie ooit. Pas toen werd capoeira gelegaliseerd door de overheid. Bimba haalde de volgens hem inefficiënte bewegingen en rituelen uit de sport en voegde nieuwe bewegingen uit andere gevechtskunsten, waaronder batuque, toe. Zo maakt hij van capoeira een nog efficiëntere gevechtssport. Zijn capoeira regional werd ongelooflijk populair over alle lagen van de bevolking. Vele van zijn leerlingen werden zelf mestre -sommigen zijn vandaag nog steeds actief- en verspreiden zich in Brazilië om de gevechtskunst te gaan onderwijzen. Uiteindelijk vertrokken ook enkelen onder hun naar het buitenland en zo kwam de wereld voor de eerste keer in contact met capoeira. Vandaag wordt capoeira over heel de wereld gespeeld, dankzij de visie van Mestre Bimba. De mestre overleed in 1974 maar is vandaag nog steeds een van de grootste capoeira mestres die ooit geleefd heeft.

Capoeira Regional verschilt sterk van het traditionele capoeira, dat vandaag Capoeira Angola genoemd wordt. Regional wordt rechtstaand, sneller en explosiever gespeeld, bevat minder tradities en ongeschreven regels en lijkt agressiever dan Capoeira Angola.

Capoeira Angola en Mestre Pastinha

Naast Capoeira Regional bestaat ook Capoeira Angola. Capoeira Angola is de naam die gegeven werd aan de klassieke vorm van capoeira om een onderscheid te kunnen maken met het moderne Capoeira Regional. Deze authentieke stijl werd bijna volledig vergeten door de opkomst van Regional. Mestre Pastinha nam samen met een groep andere mestres de verantwoordelijkheid op zich om de klassieke vorm van capoeira te beschermen en in leven te houden.

Vincente Ferreira Pastinha werd op 5 april 1889 geboren. Op jonge leeftijd leerde Pastinha capoeira van de Afrikaan Benedito en later groeide hij uit tot een uitmuntend capoeirista. Mestre Pastinha gebruikte capoeira vooral voor zijn werk als buitenwipper en kreeg zo wat bekendheid. Jaren later, nadat Pastinha zelf gestopt was met capoeira werd hij door enkele mestres terug geroepen om een school voor Capoeira Angola te openen om de concurrentie met mestre Bimba aan te gaan.

De academie van Pastinha had veel succes en hij bleef tot op hoge leeftijd les geven. Pastinha was al jaren blind en gebonden aan een stoel, maar nog steeds deelde hij de principes van capoeira en zijn vele ervaringen met zijn leerlingen. De twee meest gekende leerlingen van mestre Pastinha zijn mestres João Pequeno en João Grande. João Pequeno overleed eind 2011 en João Grande geeft nog steeds les in New York. Ondanks het feit dat Capoeira Angola het een tijdje moeilijk heeft gehad, is de stijl helemaal teruggekomen en is het nu populairder dan ooit.

Angola en Regional zijn opmerkelijk verschillend, Capoeira Angola wordt bijvoorbeeld veel trager gespeeld dan Regional, maar ook bij Angola komen er vaak snellere spellen voor. Capoeira Angola heeft nog steeds te kampen met vooroordelen; “Angola is traag, saai, ouderwets, niet spannend en niet nuttig als gevechtssport”. Maar wanneer men voor een eerste keer meedoet in een Angola roda zal meteen het tegendeel bewezen worden! Angoleiros zijn heel erg listig, onvoorspelbaar en misleidend, dat maakt ze zeer gevaarlijke capoeiristas. Capoeira Angola kent inderdaad veel meer rituelen en ongeschreven regels dan Regional, maar bevat dan ook meer van het oude capoeira dan de moderne stijlen. Er zijn ook bewegingen die men enkel in Capoeira Angola of Regional mag uitvoeren en worden als ongepast gezien bij gebruik in één van de andere stijlen.

Capoeira Contemporânea

De laatste honderd jaar is capoeira sterk geëvolueerd. Overal ter wereld vind je nu capoeira, en er bestaan honderden (al dan niet duizenden) groepen en mestres. Deze populariteit heeft ook gevolgen gehad voor de sport op zich. Het echte Capoeira Regional is vandaag bijna uitgestorven, er zijn maar enkele groepen die de originele stijl van Bimba nog beoefenen. Bijna alles wat we vandaag tegenkomen in capoeira en ‘Regional’ noemen is al lang geen Regional meer, maar noemen we Capoeira Contemporânea, of hedendaagse capoeira. Alle moderne groepen onderwijzen deze vorm, ook Mundo Capoeira. Capoeira Angola heeft ook heel wat evoluties doorgemaakt, maar deze zijn minder sterk te merken. Capoeira Contemporânea is sneller dan Regional, harder, spectaculairder en opzwepender. Hoe capoeira verder zal evolueren is enkel een vraag.

Graduaties en de Batizado

Het gebruik van graduaties binnen capoeira hebben we te danken aan Mestre Bimba, hij introduceerde in zijn academie gekleurde sjaaltjes waaraan het niveau van de leerling kon gezien worden. Pas jaren later kwamen de leiders van de groep Capoeira Senzala op het idee om koorden te gebruiken, afgeleid van het gebruik van gordels bij sporten zoals judo en karate. De mestres van Senzala ontwikkelden een volledig nieuw graduatiesysteem, waarop veel van de huidige groepen zich nog steeds baseren.

Doordat capoeira geen overkoepelende macht of organisatie kent die alles controleert, kunnen individuele groepen zelf keuzes maken. Dat heeft er onder andere toe geleid dat bijna elke groep een ander graduatiesysteem heeft. Zowel het aantal koorden, kleuren en de titels kunnen verschillen.

Eén maal per jaar krijgen leerlingen de kans om een nieuwe graduatie te ontvangen, als hun niveau genoeg gestegen is. Elke groep organiseert jaarlijks een evenement waarbij nieuwe leerlingen gedoopt worden en hun eerste koord ontvangen en oudere leerl ingen eventueel hun koord inruilen voor een hogere graduatie. Dit evenement noemt met de Batizado, wat “doop” betekent. De nieuwe leerling zal tegen een leraar spelen welke de leerling (rustig) op de grond zal laten vallen. Dit moment is de doop of batizado van de jonge capoeirista. Oudere leerlingen worden uiteraard niet meer gedoopt, maar bij hun vindt de troca de cordas of ‘wissel van koorden’ plaats waarbij zij eventueel een nieuw koord ontvangen van de mestre.

De muziek

Naast bewegingen bevat capoeira ook muziek. Onder muziek verstaan we zang en percussie, welke minstens even belangrijk zijn in de roda als de bewegingen zelf. De muziek zorgt voor positieve energie en een goede sfeer in de roda. Wanneer de muziek goed is, komt er goede energie vrij in de roda wat de motivatie van de spelers en de kwaliteit van de spellen bevordert. Je kunt de muziek in capoeira zien als een aanmoediging voor de capoeirista’s om de roda in te gaan.

De instrumenten

Afhankelijk van de stijl en de groep kunnen er 2 tot 5 verschillende instrumenten gebruikt worden in de roda. De verzamelnaam voor de instrumenten in de roda, wat in het Nederlands een orkest noemt, is de ‘bateria’. De mogelijke instrumenten zijn: de berimbau, atabaque, pandeiro, reco-reco en de agogô. Ook wordt er door de spelers die in de kring staan in de handen geklapt op het ritme van de muziek. In onze groep gebruiken we de volgende opstelling (van links naar rechts): pandeiro, berimbau viola, berimbau médio, berimbau gunga en de atabaque. Soms worden er een agogô en reco-reco aan toegevoegd, meestal wanneer er Angola gespeeld wordt. Er is ook een vaste volgorde waarin de instrumenten beginnen te spelen. Zo begint altijd eerst de berimbau gunga (de leider van de bateria), daarna de médio en de viola en dan volgen de atabaque en de pandeiro. Pas wanneer alle instrumenten aan het spelen zijn mogen de personen in de roda in hun handen beginnen te klappen. Pas dan kan men beginnen met zingen.

De handen

Het ritme van de muziek wordt ondersteund door het klappen in de handen. Hierdoor maak je van je handen een instrument en je klapt in het volgende ritme: 1 2 3 rust. Het is belangrijk om altijd mee te doen en dus ook mee te zingen en in je handen te klappen, om samen het energiepeil hoog te houden.

De pandeiro

De pandeiro kennen we ook als de tamboerijn. Dit instrument ondersteunt de berimbau’s en zijn geluid “flowt” als het ware over het basisritme heen. De pandeiro is ook heel populair in Braziliaanse muziekstijlen zoals samba.

De atabaque

Een atabaque is een uit hout gemaakte trommel die je met de handen bespeeld en kan vergelijken met een conga. Net zoals de berimbau, bestaat de atabaque in 3 formaten: de rum (de grootste), rum-pi en lê (kleinste). In capoeira wordt er meestal maar één atabaque gebruikt, vaak een rum-pi. De atabaque zorgt voor de bas van de bateria en zijn belangrijkste taak is om het tempo constant te houden en duidelijk aan te geven.

De berimbau

Dit is het meest kenmerkende instrument van capoeira. De berimbau zou één van de eerste instrumenten zijn die de mens maakte en komt oorspronkelijk uit Afrika. Door de slavernij kwam het instrument in Brazilië terecht, maar had lange tijd niets met capoeira te maken. Capoeira en de berimbau werden nog geen 200 jaar geleden met elkaar verenigd en nu kunnen we het instrument niet meer wegdenken uit de sport.

De berimbau bestaat uit verschillende onderdelen, namelijk: de verga (stok), cabaça (kalebas, klankkast), arame (snaar), dobrão (steen of munt), baqueta (stokje) en de caxixi (rammelaar). Zoals eerder vermeld wordt er onderscheid gemaakt tussen 3 types: de berimbau gunga, médio en viola.

De gunga is de absolute leider van de roda en wordt normaalgezien enkel bespeeld door de hoogst gegradueerde capoeirista van de roda. Het ritme van de gunga is het basisritme dat iedereen moet volgen, daarom mag de gunga niet te veel afwijken van zijn ritme. De berimbau gunga heeft de grootste klankkast en de laagste toon.

De berimbau médio heeft een kleinere klankkast dan de gunga en zijn toon klinkt ook iets hoger. Wie de médio bespeelt mag meer van het ritme afwijken (variëren).

De viola is de berimbau met de meeste vrijheid in de bateria. De berimbau viola mag volop variëren op het ritme en ervan afwijken. De berimbau viola heeft de kleinste klankkast en de hoogste toon van de drie types.

De ritmes of “toques de berimbau”

Met de berimbau kunnen verschillende ritmes, patronen of ‘toques’ gespeeld worden. Elke toque bestaat uit een combinatie en patroon van noten dat steeds herhaald wordt. In capoeira heeft elke toque ook een betekenis en heel vaak hangt er aan elke toque een specifiek soort capoeiraspel vast. Bijvoorbeeld, wanneer de berimbau het ritme ‘Angola’ speelt wordt er in de roda ook enkel Capoeira Angola gespeeld. Enkele ritmes die binnen capoeira voorkomen zijn: Angola, São Bento Pequeno, São Bento Grande de Angola, São Bento Grande da Capoeira Regional, Benguela, Iúna, Santa Maria, Samba de Roda, Cavalaria, Amazonas, …

Er zijn meer ritmes dan je zou denken. Veel mestres ontwikkelden hun eigen ritmes die al dan niet later in gebruik werden genomen.

De agogô

De agogô is afkomstig uit de Afrikaanse Yoruba cultuur. Het instrument bestaat uit twee koebellen die aan elkaar zijn vast gemaakt. De ene bel heeft een hogere toon dan de andere. Het instrument wordt bespeeld door met een stokje op de bellen te slaan. De agogô bestaat onder andere ook in een houten variant waarbij de koebellen vervangen worden door kleine, uitgeholde noten. De houten agogô krijgt vaak de voorkeur in de bateria omdat er geen metalen naklank is.

De reco-reco

De reco-reco is een, meestal uit hout vervaardigde, rasp die een apart geluid geeft aan de bateria. Er zijn heel wat variaties op de vorm en het uitzicht van de reco-reco, maar veelal is dit een uitgeholde bamboestok waar uitsparingen zijn gemaakt in het oppervlak. Door met een stokje over deze uitsparingen te wrijven maak je geluid.

De zang

Naast de instrumenten hebben we ook de zang welk deel uitmaakt van muziek in capoeira. Zang in capoeira is gebaseerd op het vraag en antwoord principe. Een solist of leider zingt iets voor en het koor antwoord steeds met hetzelfde refrein. Liederen in capoeira worden uitsluitend gezonden in het Portugees.

Dit is een voorbeeld van een populair capoeiraliedje:

  • Solist: Oi sim, sim, sim, oi não, não, não
  • Koor: Oi sim, sim, sim, oi não, não, não
  • Solist: Mas hoje tem, amanha não, mas hoje tem, amanha não
  • Koor: Oi sim, sim, sim, oi não, não, não